Terug naar nieuws

KEV 2026: verduurzaming industrie vraagt om uitvoerbaar beleid

Klimaat Beleid en toezicht15 september 2026Tom Streef
Voorkant KEV 2026

De kans dat het Nederlandse doel van 55% reductie in 2030 ten opzichte van 1990 gehaald wordt, is erg klein. Dat blijkt uit de Klimaat en Energieverkenning (KEV) 2026 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). De KEV laat zien dat een aanzienlijk deel van de industriële emissiedaling voortkomt uit lagere productie en dat investeringen in verduurzaming worden belemmerd door onvoldoende infrastructuur en hoge kosten.

Voor het eerst worden in de KEV de effecten tot 2040 geraamd, en ook voor die periode blijft een aanzienlijke kloof bestaan tussen het Europese doel en het effect van het huidige beleid. Het PBL concludeert daarom dat robuust aanvullend beleid nodig is dat niet alleen op kortetermijndoelen is gericht, maar ook structurele emissiereductie mogelijk maakt. De ontwikkelingen in de industrie laten zien waarom daarbij niet alleen versnelling, maar ook uitvoerbaarheid en behoud van het concurrentievermogen van belang zijn.

Vermindering is niet automatisch verduurzaming

Net als in de KEV 2025 constateert het PBL dat een deel van de lagere industriële uitstoot samenhangt met afnemende productie. De KEV 2026 maakt de omvang daarvan voor het eerst expliciet: richting 2040 komt 30 tot 40 procent van de geraamde emissiedaling door lagere productievolumes in Nederland. Dat is niet vanzelfsprekend klimaatwinst: in het rapport waarschuwt het PBL dat productie en uitstoot in bepaalde sectoren naar andere landen kunnen verplaatsen (carbon leakage) met waar productie mogelijk minder CO2-efficiënt is, wat tot mondiaal hogere uitstoot kan leiden.

Algemeen directeur Hans Grünfeld: “Ambities en doelstellingen leiden niet vanzelf tot investeringen. Bedrijven moeten daadwerkelijk in staat worden gesteld om hun productie te verduurzamen. Daarvoor zijn tijdig beschikbare infrastructuur, betaalbare koolstofarme energie en voldoende investeringszekerheid nodig.”

Knelpunten

In het rapport worden ook de knelpunten voor verduurzaming benoemd, met name infrastructuur en kosten. Infrastructuur is nu al belemmerend voor de verduurzaming, en voor de elektrificering van grootverbruikers van energie is het van belang dat investeringen en ontwikkelingen in de vraag naar energie gepaard gaan met de aanleg en uitbreiding van passende energie-infrastructuur. Aan de andere kant spelen de kosten voor koolstofarme energiedragers, elektriciteit, nettarieven en voor CCS een rol. Deze kosten kunnen niet zonder meer worden doorberekend in de keten, waardoor de investeringen voor verduurzaming niet rendabel zijn zonder aanvullende subsidie.

Evenwichtig beleid

De noodzaak voor evenwichtig klimaat- en energiebeleid dat de Nederlandse energie-intensieve industrie in staat stelt om te verduurzamen is daarom onverminderd hoog. Onder andere het ontbreken van consistent beleid de afgelopen jaren heeft ervoor gezorgd dat effectief beleid voor verduurzaming in de energie-intensieve sector niet van de grond kwam. De continuering van de SDE++ en de beschikbaar gestelde middelen om risico’s rond Aramis af te dekken zijn stappen in de goede richting. Om het concurrentievermogen van Nederland te behouden is het wel noodzakelijk dat klimaatbeleid niet uitsluitend wordt beoordeeld op de mate waarin doelstellingen worden gehaald: ook de uitvoerbaarheid en betaalbaarheid voor bedrijven moeten nadrukkelijk onderdeel zijn van de afweging.

De publicatie van de KEV vormt een belangrijk moment voor het nieuwe kabinet: VEMW roept op om de uitkomsten te vertalen naar een samenhangende aanpak waarin klimaatdoelen, energievoorziening, infrastructuur en het concurrentievermogen van de industrie met elkaar in balans worden gebracht.