Terug naar nieuws

Industrie- en energietransitie vereist complementaire ontwikkeling van vraag, aanbod én infrastructuur

Handelings- en afstemmingsruimte nodig om opties te kunnen verzilveren

Elektriciteit Beleid en toezicht, Netwerken9 april 2021Karin Burghouwt

Voor de verduurzaming van de industrie en de energievoorziening is een ambitieuze, samenhangende ketenaanpak nodig. Dat staat in een advies van de Stuurgroep Extra Opgave. Volgens VEMW vereist de gezamenlijke opdracht die de producenten, netbeheerders en energiegebruikers hebben handelings- en afstemmingsruimte om emissiereductie opties tijdig te kunnen verzilveren.

Stuurgroep
De Stuurgroep Extra Opgave is opgericht om te onderzoeken of de in het Klimaatakkoord afgesproken ambitie van 84 TWh in 2030 voldoende is om aan een aanvullende elektriciteitsvraag van de industrie en datacenters te voldoen. De Stuurgroep bestaat uit Jan Jacob van Dijk (voorzitter Uitvoeringsoverleg Elektriciteit), Carolien Gehrels (voorzitter Uitvoeringsoverleg Industrie), Hans Grünfeld (VEMW), Martijn Hagens (Vattenfall) en Marc van der Linden (Stedin). Carolien Gehrels, Hans Grünfeld en Marc van der Linden hadden in 2020 ook al zitting in de adviescommissie TIKI.

Industrie en datacenters
Om structureel en doelmatig de CO2-uitstoot van de industrie te verminderen is naast de elektrificatie van industriële processen ook inzet van koolstofarme moleculen zoals groene waterstof nodig. Als energiebron, als grondstof (chemische bouwsteen) en energie-opslagmedium. Volgens de Stuurgroep moet dit gepaard gaan met voldoende extra Nederlands aanbod van hernieuwbare elektriciteit. Hiervoor zijn investeringen in onder meer nieuwe windparken op zee nodig. Voor deze investeringen in extra aanbod is het cruciaal dat er ook daadwerkelijk extra vraag is. Vanuit de industrie is hiervoor een aanzienlijk potentieel en het is dan ook cruciaal dat deze vraag tot stand gebracht wordt.

Onzekerheden
De Stuurgroep concludeert in haar advies dat er op dit moment grote onzekerheden, lange doorlooptijden en wederzijdse afhankelijkheden in de gehele waardeketen van elektriciteitsproductie, transport, opslag en de afname in de industrie de gewenste ontwikkelingen in de weg staan. De benodigde verduurzaming wordt door onder meer deze factoren belemmerd, waardoor een aanzienlijk potentieel in de industrie nu niet gerealiseerd wordt. Om dit potentieel tijdig te realiseren is volgens de Stuurgroep allereerst een verschuiving nodig van stimuleringsbeleid aan de aanbodzijde naar vraagstimulering. Tegelijkertijd moet geborgd worden dat tegenover de extra elektriciteitsvraag uit de industrie voldoende extra Nederlands aanbod van hernieuwbare elektriciteit staat, zodat dit ook daadwerkelijk leidt tot zoveel mogelijk broeikasgasemissiereductie in de gehele Nederlandse keten. Het vraagt ook om acceptatie van mismatches in tijd en volumes in de keten. De Stuurgroep is er van overtuigd dat dit vanuit de maatschappelijke waarde van de transitie naar klimaatneutraliteit in 2050 – tijdelijk - acceptabel moet zijn. Complementair ontwikkelen van vraag, aanbod, infrastructuur en flexibiliteit is dan ook de beste waarborg voor het realiseren van de doelstellingen van het Klimaatakkoord.

Gezamenlijke opdracht
Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW: wij adviseren de minister om met een samenhangende aanpak elektrificatie van de industrie aan te jagen, én tegelijkertijd alles in het werk te stellen om tot een daarop aansluitend extra aanbod van hernieuwbare elektriciteit te komen, evenals de verbindende infrastructuur. Uitgangspunt moet zijn dat verduurzamingsopties binnen de industrie maximaal de ruimte krijgen zodat het maximale potentieel gerealiseerd kan worden. Hiervoor is nodig dat stimuleringsinstrumenten afgestemd worden op de beschikbare opties in de industrie, belemmeringen worden weggenomen voor extra investeringen in wind op zee en dat alles in het werk wordt gesteld om de noodzakelijke infrastructuur tijdig te realiseren. Met die aanpak moet niet te lang gewacht worden om te voorkomen dat bedrijven, zeker na 2025, serieus belast gaan worden door CO2-beprijzing (ETS en heffing). In dat geval betalen ze namelijk tweemaal een rekening, eerst voor de uitstoot én vervolgens voor de implementatie van maatregelen. Dat is niet alleen ondoelmatig maar ook ondermijnend voor draagvlak en het duurzaam verdienvermogen van Nederland.”