Onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) analyseert verschillende vormen van steun om de industrie concurrerend te houden en tegelijkertijd de CO₂-uitstoot te verminderen. Sommige steunmaatregelen verbeteren de concurrentiepositie van de industrie, maar leiden tot een toename van de Europese CO₂-uitstoot. Tegelijkertijd kan de wereldwijde uitstoot afnemen wanneer Europese productie emissie-intensievere productie elders vervangt.
Achtergrond
Nu de concurrentiekloof van de Europese industrie toeneemt, zijn verschillende analyses en voorstellen gedaan om deze te verkleinen. Het Draghi-rapport stelt diverse maatregelen voor, met speciale aandacht voor het verlagen van energiekosten, waarbij rekening moet worden gehouden met het klimaatbeleid. In Nederland zijn deze voorstellen verder uitgewerkt in het Wennink-rapport, waarin onder andere wordt voorgesteld om grote energieverbruikers een belastingkorting op elektriciteit te geven. In Duitsland en Frankrijk zijn vergelijkbare maatregelen uitgewerkt, onder meer via directe steun voor emissiereductie en – met name in Duitsland – maatregelen om elektriciteitskosten te verlagen.
Scenario’s
Op basis van nationale voorstellen analyseert de studie vier mogelijke steunmaatregelen: een productiesubsidie, verlaging van belastingen op alle energiedragers, verlaging van elektriciteitskosten (bijvoorbeeld via indirecte kostencompensatie) en een specifieke subsidie voor bedrijven om emissies te reduceren (zoals de SDE++). Deze maatregelen worden toegepast in een groep landen (Nederland, Duitsland en Frankrijk- de ‘coalitie’), omdat niet in alle Europese landen voldoende draagvlak bestaat om deze maatregelen in te voeren. Voor de periode 2026–2030 wordt uitgegaan van een budget van 25 miljard euro.
Resultaten
Een productiesubsidie blijkt het meest effectief om de industriële productie te stimuleren (1,6%). Verlaging van energiebelastingen en elektriciteitskosten laten een vergelijkbaar effect zien (1,4%). Gerichte subsidies voor emissiereductie leiden slechts tot een beperkte productiegroei 0,2%), omdat deze vooral de onrendabele top afdekken en niet direct de kostenstructuur van bedrijven verbeteren.
De effecten op CO₂-uitstoot verschillen aanzienlijk:
- Productiesubsidie: +15 Mton in de coalitie, –3,6 Mton in de EU, –22 Mton wereldwijd
- Lagere elektriciteitskosten: +19 Mton in de coalitie, –3,4 Mton in de EU, –19,6 Mton wereldwijd
- Lagere energiebelastingen: +45 Mton in de coalitie, –5 Mton in de EU, –27 Mton wereldwijd
De sterke stijging bij lagere energiebelastingen komt doordat fossiel energiegebruik goedkoper wordt. Verlaging van elektriciteitskosten stimuleert juist elektrificatie: industriële emissies dalen, maar de emissies van elektriciteitsopwekking nemen toe. Productiesubsidies zorgen per saldo voor de grootste wereldwijde emissiereductie.
Kansen
Hans Grünfeld, algemeen directeur van VEMW: “Dit onderzoek laat zien dat een sterke Europese industrie goed is voor onze economie, welvaart en strategische onafhankelijkheid en tegelijkertijd bijdraagt aan lagere wereldwijde CO₂-uitstoot. Een no-regret aanpak! Omdat een productiesubsidie in de praktijk lastig uitvoerbaar is, ligt de oplossing bij het verlagen van elektriciteitskosten. Maatregelen in die richting sluiten aan bij de gisteren gepubliceerde conclusies van de Europese concurrentieraad, waarin wordt opgeroepen tot het verlagen van elektriciteitsprijzen over alle componenten. Daarnaast is het van belang om ook gerichte maatregelen voor emissiereductie te blijven invoeren, zodat de wettelijke klimaatdoelen worden gehaald. Een combinatie van deze maatregelen kan het herstel van de concurrentiekracht van de industrie ondersteunen en tegelijkertijd zowel de nationale als de wereldwijde uitstoot verminderen.”
In de Kennisbank staat het document met de conclusies van de Europese concurrentieraad. Daarnaast vind je hier de link naar het onderzoek van PBL en CBS.