VEMW roept Tweede Kamer op: benut Europese ruimte om hoge elektriciteitskosten industrie te verlagen
Morgen bespreekt de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei van de Tweede Kamer de stand van zaken rond klimaat en energie. VEMW heeft in dit kader input geleverd en roept op tot de urgente implementatie van maatregelen die binnen Europese kaders al mogelijk zijn, om de elektriciteitskosten voor de industrie te verlagen en het gelijke speelveld met buurlanden te herstellen. De aandacht gaat daarbij onder meer uit naar de indirecte kostencompensatie (IKC) en de tijdelijke verlichting van hoge elektriciteitsprijzen via het Clean Industrial Deal State Aid Framework (CISAF). Daarnaast vraagt VEMW aandacht voor een voorspelbare en effectieve implementatie van de Europese CO₂-grensheffing (CBAM) en voor efficiënte regelgeving die massabalans (bioswap) mogelijk maakt, om de opschaling van de CCUS-markt te ondersteunen.
Elektriciteitskosten
In Nederland liggen de uiteindelijke elektriciteitskosten voor de industrie 15%, 30% en zelfs tot 70% hoger dan in respectievelijk België, Duitsland en Frankrijk. Deze verschillen worden veroorzaakt door uiteenlopende kortingen, belastingvrijstellingen, lagere (groothandels)prijzen voor elektriciteit en verschillen in de nationale implementatie van Europese regelingen, zoals de IKC. De IKC is bedoeld voor sectoren met een hoog risico op koolstoflekkage en compenseert de hogere elektriciteitskosten die voortvloeien uit de CO₂-kosten die elektriciteitsproducenten betalen en doorberekenen aan afnemers. Recent heeft de Europese Commissie de onderliggende regeling aangepast: de productlijst is uitgebreid, compensatie voor nieuwe producten wordt mogelijk vanaf 2025, en voor bestaande sectoren kan de maximale steun worden verhoogd tot 80%.
Een aanvullende mogelijkheid om de industrie te ondersteunen bij betaalbare elektriciteitskosten is de implementatie van het CISAF. Dit kader is in Nederland nog niet ingevoerd en geldt slechts voor een periode van drie jaar, maar maakt het wel mogelijk om een korting op de groothandelsprijs van elektriciteit te geven aan bedrijven met koolstoflekkagerisico die buiten de IKC vallen.
Koolstofkosten en CCUS
De Europese CO₂-grensheffing (CBAM) treedt per januari 2026 volledig in werking. Deze heffing is bedoeld om de emissies te beprijzen die zijn uitgestoten in derde landen bij de productie van goederen die worden geïmporteerd in de EU, waaronder aluminium, cement, elektriciteit, meststoffen, waterstof en ijzer en staal. Daarmee wordt voorkomen dat Europese emissiereductie-inspanningen worden ondermijnd door de import van goedkopere, koolstof intensieve producten en door koolstoflekkage. Een cruciaal punt dat in de huidige implementatie nog onvoldoende is uitgewerkt, betreft de concurrentiepositie van Europese exporteurs. Door de extra CO₂-kosten kunnen zij moeilijk concurreren op internationale markten waar geen of lagere CO₂-beprijzing geldt. Daarnaast zorgt de voorgestelde exceptie van producten die onder de heffing vallen voor extra onzekerheid. Deze onzekerheid ondermijnt reeds gedane investeringen in de productie van groene producten en remt nieuwe investeringen, omdat goedkopere, grijze importproducten mogelijk buiten de heffing vallen en daardoor concurrerender blijven.
Daarnaast belemmert de huidige Nederlandse interpretatie van de regelgeving de ontwikkeling van Carbon Capture, Utilisation and Storage (CCUS). Het gebruik van een boekhoudsysteem op basis van massabalans (bioswap) is niet toegestaan, waardoor biogene en fossiele CO₂ niet gezamenlijk via dezelfde infrastructuur kunnen worden vervoerd. Dit leidt tot inefficiëntie en vertraagt de opschaling van CCUS-infrastructuur.
Urgentie
Hans Grünfeld, algemeen directeur van VEMW: “De mogelijkheden die Europese kaders bieden om concurrerende elektriciteitskosten voor de industrie te realiseren, moeten zo snel mogelijk volledig worden benut. Deze ruimte is niet voor niets gecreëerd. Niets minder dan de continuïteit van de basisindustrie in Europa en dus ook in Nederland staat op het spel. Als deze maatregelen in Nederland achterblijven, groeit de concurrentiekloof met buurlanden verder. Aanvullend zijn structurele maatregelen nodig, zoals gerichte CAPEX-investeringen in Tennet of een equivalent van de volumecorrectieregeling voor bedrijven of de versnelling van het onderzoek naar Contracts for Difference (CfD’s) voor afnemers. Ook ontwikkelingen rond de CO₂-grensheffing en regelgeving over boekhoudsystemen beïnvloeden de concurrentiekracht van de industrie. Daarom moet de overheid zich zowel Europees als nationaal inzetten voor de randvoorwaarden van een concurrerende industrie.”
De brief is te vinden in onze Kennisbank.