Terug naar nieuws

Klimaatakkoord wordt politiek akkoord

Uitwerking akkoord cruciaal voor investeringsklimaat in Nederland

Klimaat Beleid en toezicht1 juli 2019Thessa de Ridder

Het kabinet heeft een politiek besluit genomen over een pakket aan klimaatvoornemens. Een politiek klimaatakkoord, dat forse verplichtingen zoals een CO2-heffing en een grotere ODE-bijdrage bij de industrie legt, waar onvoldoend harde commitments van de overheid tegenover staan. Dat zet het investeringsklimaat in Nederland onder druk. Om het vertrouwen in het Nederlandse vestigingsklimaat te kunnen behouden is het van het grootste belang de industrie te betrekken bij de verdere uitwerking, om een bijdrage aan de klimaatdoelen van Parijs te kunnen leveren, een betaalbare en betrouwbare verduurzaming van de energievoorziening te kunnen realiseren, en de transitie van de industrie mogelijk te maken.

Industrie
Voor de industrie is een sectordoel vastgesteld van 14,3 Mton CO2-reductie, bovenop de 5,1 Mton bestaand beleid. Dat komt overeen met een industriële emissiereductie van 49 procent in 2030 t.o.v. 1990. Belangrijk element in het kabinetsakkoord is een “verstandige CO2-heffing” die het “teveel aan uitstoot” gaat belasten met een lineair oplopende heffingshoogte van 30 (2021) tot 125-150 euro/ton (2030). Daarnaast moet de industrie door verplaatsing van de ODE-schuif een groter deel (indicatief oplopend naar 550 mln euro per jaar in 2030) van de ODE-heffing gaan betalen om de verbrede SDE+ regeling te financieren. Die regeling richt zich op kostenefficiënte emissiereductiemaatregelen in de industrie. Tegenover forse extra verplichtingen (cumulatief 5 mrd euro) – en daarmee lastenverzwaringen - voor de industrie staan minder middelen (cumulatief 3 mrd euro) ter beschikking. Er zijn onvoldoend harde commitments van de overheid om aan de verplichtingen te kunnen voldoen, en het verdienvermogen van een duurzame industrie te creëren. De transitie van de industrie mag niet stuklopen op een gebrek aan nieuwe infrastructuur (CCS, elektrificatie, waterstof; tijdig en in voldoende mate), alsmede de regulering en financiering daarvan.

Elektriciteitsvoorziening
Aan de elektriciteitstafel is een aantal belangrijke afspraken gemaakt die ook door het kabinet zijn overgenomen. Dit betreft een vraaggestuurde in plaats van een aanbodgedreven elektriciteitsvoorziening als investeringsprikkel en –zekerheid. Met een tijdig aanbod van duurzame elektriciteitsopwekvermogen door een forse uitbreiding van wind op zee met de benodigde infrastructuur om de elektriciteit te transporteren. Ook worden er maatregelen voorgesteld om de betrouwbaarheid van het systeem te borgen met flexibiliteitsinstrumenten en adequacy monitoring. Kosteneffectiviteit moet bij dit alles leidend zijn, waarbij subsidies worden afgebouwd en systemen (elektriciteit, waterstof, warmte, CCS, demand side response) worden geïntegreerd.

Proces
Het politiek besluit breekt met de ingezette aanpak om via een overlegstructuur tussen overheden, kennisinstituten, stakeholders en maatschappelijke organisaties te komen tot een breedgedragen klimaatakkoord. Die aanpak heeft geleid tot het Energieakkoord 2013-2023, en heeft december 2018 een ontwerp klimaatakkoord (OKA) opgeleverd. Sinds dit jaar heeft het kabinet besloten dit proces van ‘co-creatie’ los te laten om gebaseerd op het OKA en adviezen van de planbureaus te komen tot een politiek pakket aan klimaatvoornemens.

Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW: “het akkoord is met name voor de industrie helaas onevenwichtig omdat er onvoldoende harde commitments van de overheid staan tegenover de extra lasten die het bedrijfsleven moet gaan dragen. Om het vertrouwen in het Nederlandse vestigingsklimaat te kunnen behouden is het van het grootste belang de industrie te betrekken bij de verdere uitwerking. Dat is nodig om een bijdrage aan de klimaatdoelen van Parijs te kunnen leveren, een betaalbare en betrouwbare verduurzaming van de energievoorziening te kunnen realiseren, en de transitie van de industrie mogelijk te maken.”