1 juni 2021

Aandeel hernieuwbaar in energieverbruik in 2020 ruim 11 procent

Stijging ruim een kwart in één jaar tijd

Van het totale energieverbruik in Nederland is in 2020 het hernieuwbare aandeel met ruim een kwart gestegen tot 11,1 procent (2019: 8,8 procent). Een ‘stroomversnelling’ die grotendeels voor rekening van zon-PV en windenergie komt. Ook het verbruik van biomassa nam toe. Dit blijkt uit de nieuwste cijfers van het CBS.

Aandeel
Het verbruik van hernieuwbare energie bedroeg 219 PJ in 2020 (+19 procent t.o.v. 2019). Het totale finale energieverbruik was in 2020 met bijna 2000 PJ zo’n 100 PJ lager dan in 2019. Vooral het energieverbruik voor vervoer daalde: m.n. corona leidde tot minder vervoersbewegingen in 2020.

Het verbruik van energie uit wind nam met 29 procent toe tot 50 PJ. Met name de opgestelde capaciteit van windturbines op zee nam toe (windmolenpark Borssele), maar ook op land: van 4.500 megawatt (MW) eind 2019 naar 6.600 MW eind 2020. Het verbruik van zonne-energie (elektriciteit en warmte) groeide in 2020 met 47 procent naar 30 PJ. Ook hier speelden nieuwe zonneparken de belangrijkste rol, met een capaciteitsgroei van 7.200 MW in 2019 naar iets meer dan 10.000 MW in 2020. Biomassa is met 54 procent nog de grootste bron van hernieuwbare energie: 119 PJ (+10 procent t.o.v. 2019).

Doelstelling
In de EU is vastgelegd dat hernieuwbare energie 14 procent van het Nederlands energieverbruik moest uitmaken in 2020. Naast verbruik van hernieuwbare energie uit eigen land, kan ook hernieuwbare energie worden ingekocht bij andere landen (‘statistische overdracht’). Op basis van voorlopige cijfers over 2020 zou een overdracht van ongeveer 16 TWh uit het buitenland nodig zijn om het afgesproken doel van 14 procent te halen. In juni 2020 is een overeenkomst afgesloten met Denemarken om 8 tot 16 TWh hernieuwbare energie over te dragen.

VEMW, 1 juni 2021

Bij hergebruik gelieve terug te linken naar
deze pagina.