27 augustus 2020

Aandeel hernieuwbare warmte gestegen naar 7 procent

Stoomnetten koppelen meer warmte uit dan stadsverwarmingsnetten

Het aandeel hernieuwbare warmte - uit met name biomassa - in de totale warmtevoorziening in Nederland is in 2019 gestegen naar 7 procent. Het grootste aandeel in de warmtevoorziening komt nog altijd voor rekening van aardgas (76 procent), terwijl 17 procent vooral afkomstig is door nuttig gebruik van productiegassen uit de industrie. Stoomnetten koppelen in de regionale industrieclusters met 37 PJ meer warmte uit dan de stadsverwarmingsnetten in Nederland (23 PJ). Dat blijkt uit het rapport Warmtemonitor 2019, dat is opgesteld door TNO op basis van de CBS Energiebalans in opdracht van RVO.

Onderzoek
De warmtemonitor 2019  is gebaseerd op de CBS Energiebalans met cijfers over 2018 en 2019. Het rapport laat zien welk deel van het finale energiegebruik wordt benut voor warmte, voor heel Nederland en ook per sector: de gebouwde omgeving, de industrie en de landbouw. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de grote stadsverwarmingsnetten, maar ook naar kleine warmtenetten voor stadsverwarming, blokverwarming op aardgas, stoomnetten in de industrie en energiegebruik voor koude.

Warmte en koude verbruik
Het totale primaire energiegebruik in Nederland bedraagt 3059 PJ (2019). Daarvan wordt 1858 PJ voor energetische doeleinden gebruikt bij eindverbruikers: industrie, verkeer en vervoer, huishoudens diensten en landbouw. De rest bestaat uit omzettingsverliezen, eigen verbruik van de energiesector en non-energetisch verbruik. Ruim de helft van het finale energieverbruik wordt gebruikt voor warmte in de gebouwde omgeving, zo’n 40 procent in de industrie en 10 procent in de landbouw. Het verbruik voor warmte daalt 0,8 procent per jaar t.o.v. de periode 2000 tot en met 2004.

Het elektriciteitsverbruik voor koeling van producten en processen en ruimten is naar schatting een kleine 30 PJ, een kleine 3 procent van het totale energieverbruik voor warmte. Slechts 0,6 PJ van de koudevraag wordt ingevuld met koudelevering via netten.

Het aandeel hernieuwbare warmte (biomassa, geothermie en aquathermie) in de totale warmtevoorziening in Nederland is in 2019 gestegen naar 7 procent. Aardgas is teruggedrongen van 82 procent (2000-2004) tot 76 procent. De resterende 17 procent is vooral afkomstig door nuttig gebruik van productiegassen uit de industrie.

Stoom
Volgens de Europese definitie heeft Nederland 8 stoomnetten in de industrie. Deze zijn te vinden in de industriële regioclusters zoals Rijnmond, Groningen (Delfzijl) en Zuid-Limburg (Chemelot). Op de 8 stoomnetten is niet meer dan zo’n 60 verbruikers aangesloten, maar deze netten leveren met 37 PJ stoom wel meer warmte dan de stadsverwarmingsnetten (23 PJ).

Net als bij de stadsverwarming komt de meeste stoom uit warmtekrachtinstallaties welke gebruik maken van vooral aardgas en productiegassen. In 2018 kwam ongeveer 8 procent van de stoom uit warmtekracht met hernieuwbare energie als bron (biogene deel afval en biomassa). Dit aandeel is gelijk aan 2017, waar het aandeel meer dan verdubbelde tussen 2016 en 2017.

Groei warmtenetten
Via grote warmtenetten (> 0,15 PJ/jaar) is in 2018 via 329.000 aansluitingen 20,4 PJ warmte geleverd aan de gebouwde omgeving (huishoudens 50%, utiliteitsgebouwen 30%). Dit moet via 22,5 PJ (2020) oplopen tot 24,0 PJ in 2023. De kleine warmtenetten leverden in 2018 in totaal 2,4PJ aan 64.000 aansluitingen. Het aandeel hernieuwbare warmte bij grote warmtenetten is gestegen van 17 (2017) naar 30 procent (2019), waarbij biomassa-installaties voor een groot deel van de groei zorgen. Wat verschilt van de grote netten is dat veel kleinere warmtenetten gebruik maken van warmte-koudeopslag en warmtepompen.

VEMW,

Bij hergebruik gelieve terug te linken naar deze pagina.