5 juni 2020

WOZ-beschikking biedt niet langer garantie op aansluiting

Rechter acht de feitelijke situatie doorslaggevend voor aansluitrecht

In een recente uitspraak van het CBb oordeelde het College - in afwijking van eerdere uitspraken - dat voor het bepalen van een WOZ-object de WOZ-beschikking niet langer doorslaggevend is. Het aansluitrecht zal weliswaar blijven gelden per WOZ-object, waarbij de WOZ-beschikking leidend is, tenzij kan worden aangetoond dat de beschikking onjuist is op basis van de voorwaarden die gebruikelijk zijn bij fiscale wetgeving. 

Casus
Een coöperatie voor het plaatsen en exploiteren van zon-PV heeft zonnepanelen geplaatst op een bedrijfsloods. Daarvoor vestigde de coöperatie drie separate opstalrechten. Eén van de drie opstalrechten stelt het eigendom van de zonnepanelen veilig. De gemeente verstrekte voor elk opstalrecht een separate WOZ-beschikking. De drie WOZ-beschikkingen op hetzelfde dak leidden tot drie WOZ-objecten. De coöperatie beschikte al over een kleinverbruiksaansluiting, en verzocht een tweede kleinverbruiksaansluiting. Liander weigerde, en wilde slechts een grootverbruiksaansluiting leveren, omdat de zonnepanelen zich op hetzelfde dak (van de bedrijfsloods) bevinden. Meerdere kleinverbruiksaansluitingen laten realiseren is voor de afnemer voordeliger dan het aanschaffen van één grootverbruiksaansluiting. De coöperatie droeg een geschil aan bij de ACM, waarbij ACM conform vaste jurisprudentie netbeheerder Liander opdroeg voor elk afzonderlijk WOZ-object een aansluiting aan te bieden. Het toetsen van de juistheid van een WOZ-beschikking is volgens de ACM een taak van de gemeente of de Waarderingskamer. Hierop trad Liander in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).

Juridisch kader
De netbeheerder is verplicht eenieder die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting, per WOZ-object. Deze ‘aansluitplicht’ is vastgelegd in artikel 23 van de Elektriciteitswet. Het college van B&W van de gemeente verleent WOZ-beschikkingen. De door hen verleende beschikkingen zijn bepalend voor de status van het WOZ-object, en daarmee bepalend voor het recht op een aansluiting. De ACM houdt deze interpretatie sinds 2008 strikt aan. Die interpretatie is bovendien door het CBb bevestigd in een uitspraak in 2011. Deze interpretatie wordt nu door het CBb veranderd: “Het College is (…)van oordeel dat om vast te stellen of een verplichting bestaat te voorzien in een aansluiting op een elektriciteitsnetwerk (…) niet in alle gevallen zonder meer moet worden aangesloten bij de objectafbakening zoals deze blijkt uit een door het college van burgemeester en wethouders afgegeven WOZ-beschikking.”. Het CBb motiveert deze uitspraak zowel tekstueel als wetssystematisch: de bovenliggende Elektriciteitswet verwijst letterlijk naar het WOZ-object, niet een WOZ-beschikking. Daarnaast kan de netbeheerder de WOZ-beschikking niet kennen, en kan de netbeheerder niet op basis van de Wet WOZ als belanghebbende worden aangemerkt.

Welke gevolgen heeft dit voor aangeslotenen?
Waar voorheen de WOZ-beschikking bepalend was en niet weerlegbaar, biedt dit nu enkel een ‘weerlegbaar bewijsvermoeden’. Dit betekent dat de beschikking bepalend is, tenzij een partij die het ermee oneens is kan aantonen dat voor de netaansluiting de WOZ-beschikking niet strookt met artikel 16 van de Wet Onroerende Zaken (WOZ). Dat pleidooi moet onderbouwd worden met vier stappen die al jaren gangbare praktijk zijn in de belastingwetgeving. Daarbij zijn doorslaggevend hoe het eigendom is verdeeld, hoe het gebruik is verdeeld, en of de onroerende zaken naar omstandigheden beoordeeld een samenstel vormen. Met deze uitspraak sluit de elektriciteitswetgeving volgens de rechter beter aan bij de fiscale wetgeving.

Meer informatie kunt u hier vinden. 

VEMW, 5 juni 2020

Bij hergebruik gelieve terug te linken naar deze pagina.