7 maart 2019

Werknemers industrie roeren zich in klimaatdebat

Oproep ondernemingsraden: ‘spreek niet over ons, maar met ons’

De ondernemingsraden van 17 energie-intensieve industriële bedrijven vrezen rode cijfers wanneer een CO2-heffing wordt ingevoerd. Dat kan op termijn leiden tot banenverlies in Nederland als de multinationals nieuwe investeringen gaan verleggen naar landen die een minder ambitieus klimaatbeleid voeren. De genoemde bedrijven zijn nu goed voor zo’n 50.000 directe banen in Nederland, maar ook nog eens vele tienduizenden banen bij toeleveranciers in het MKB. De bedrijven investeren fors in samenwerkingsverbanden met andere bedrijven, opleidingen en kennisinstellingen om de energie- en industrietransitie mogelijk te maken.

Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW: “ik ben verheugd dat via de ondernemingsraden van de grote industriële bedrijven nu ook de werknemers zich met een duidelijke en goed onderbouwde open brief roeren in het klimaatdebat. Anders dan de vakbond FNV zeggen de ondernemingsraden de doelstellingen van het ontwerp klimaatakkoord te onderschrijven. Ze zien van binnenuit hoe al hard gewerkt wordt aan innovatie van productieprocessen en verduurzaming van de energievoorziening. Tata Steel heeft eerder al becijferd dat een CO2-heffing zoals GroenLinks bepleit, zou leiden tot extra lasten van 0,6-1,2 mrd euro voor het bedrijf, die het verdienvermogen van de staalproducent in IJmuiden overstijgen. VEMW pleit aan de klimaattafels industrie en elektriciteit voor een pakket van doeltreffende maatregelen die ook nog eens doelmatig zijn. De industrie is niet het probleem maar onlosmakelijk onderdeel van de transitie. Een goede concurrentiepositie en investeringsklimaat in ons land is daar een essentiële randvoorwaarde voor. Het opleggen van een CO2-belasting zoals GroenLinks bepleit is nadrukkelijk geen bijdrage daaraan, zoals nu ook door de werknemers aangegeven.”

Klik hier om de open brief in te zien, die gestuurd is aan de fractievoorzitters van de verschillende politieke partijen in de Tweede Kamer.

VEMW, 7 maart 2019
Bij hergebruik gelieve terug te linken naar deze pagina