19 juni 2018

CBb legt grondslag gasaansluittarief voor aan EU-Hof

Disproportioneel tarief voor instandhouding van de aansluiting?

Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft het Europese Hof van Justitie prejudiciële vragen  gesteld over de methode die toezichthouder ACM hanteert voor de vaststelling van de tarieven voor de aansluitdienst van landelijk gasnetbeheerder GTS. Vraag is of deze methode toegestaan is volgens de Europese Gasverordening (kostenoriëntatie). De vragen van het CBb maken onderdeel uit van een procedure die Vereniging Gasopslag Nederland (VGN) en gasopslagbedrijf Taqa voor de rechter hebben aangespannen.

Regulering
GTS wordt als monopolist op het landelijk gastransport gereguleerd. Via zogenaamde methodebesluiten stelt de ACM elke 3-5 jaar de doelmatige inkomsten vast die GTS vervolgens in rekening mag brengen bij de netgebruikers voor de diensten gastransport, balancering, kwaliteitsconversie en de aansluitdienst. Die aansluitdienst is sinds 2011 gesplitst in een dienst voor de op dat moment bestaande (ruim 300) aansluitingen en de aansluitingen die zijn gerealiseerd na oktober 2011 aangelegd voor gasproductie- en gasopslagbedrijven. Het betreft hier een vijftal aansluitingen voor gasproductie- en –opslagbedrijven, die door een wetswijziging niet geheel door GTS zijn aangelegd, maar slechts het aansluitpunt. De rest van de aansluiting, tussen aansluitpunt en het gasontvangststation, bevindt zich in het vrije marktdomein en mag worden aangelegd door de aangeslotene of een gekwalificeerde aannemer die hij contracteert voor de aanleg.

Grondslag
De grondslag die GTS hanteert is kostenoriëntatie, waarbij GTS een adviesbureau, Jacobs Engineering, heeft laten uitrekenen hoeveel kosten toegerekend mogen worden aan de aansluitdienst. Uitkomst: 5,3 procent van de gereguleerde omzet mag worden toegerekend aan de bestaande aansluitingen. De Vereniging Gasopslag Nederland (VGN) en gasopslagbedrijf Taqa betwisten de hoogte van het tarief dat hen in rekening wordt gebracht, omdat het veel hoger zou zijn dan de werkelijke kosten die door GTS gemaakt zouden worden om de aansluiting in stand te houden. Het zou met name mis gaan bij grote gecontracteerde aansluitcapaciteiten, waarbij de kosten die in rekening worden gebracht disproportioneel hoog zouden zijn, waardoor de leden van VGN en Taqa de bestaande aansluitingen zouden kruissubsidiëren. Indien appellanten in het gelijk worden gesteld, zal een deel van deze kosten worden gesocialiseerd over alle andere - waaronder 200 industriële - aansluitingen.

Het CBb stelt nu prejudiciële, bindende vragen aan het EU-Hof om een uitspraak te kunnen doen. De rechter wil uitleg of  het hanteren van een uniform capaciteitstarief, waarbij wordt gedifferentieerd naar de gecontracteerde capaciteit, in lijn is met de Europese Gasverordening. Met deze vragen aan het Hof gaat de rechter in tegen het advies van zowel appellanten als de toezichthouder.

VEMW, 19 juni 2018

Bij hergebruik gelieve terug te linken naar deze pagina