3 mei 2013

Nieuwe Omgevingswet leidt tot uitholling rol bevoegd gezag

Onlangs is de toetsversie van de nieuwe Omgevingswet gepubliceerd. VEMW staat achter de stelselwijziging van het omgevingsrecht en constateert dat de voorstellen een goede eerste stap zijn op weg naar realisatie van de doelen van de stelselwijziging, zoals het versnellen van vergunningprocedures. Desondanks vindt VEMW dat de voorstellen tekort schieten waar het gaat om de invulling van de rol van het bevoegd gezag op het terrein van de activiteiten die nu nog in de Waterwet zijn geregeld. VEMW heeft onlangs een zienswijze ingediend bij de toetsversie van de wet.


Omgevingsrecht op de schop
VEMW is verheugd dat het omgevingsrecht op de schop gaat. Vereenvoudiging van procedures, samenvoeging en vermindering van regels en verlaging van administratieve lasten zijn pure noodzaak om te komen tot een versterking van de Nederlandse watereconomie. Ook de geplande integratie van vergunningen, waaronder de watervergunning, in de omgevingsvergunning is ten principale een goed initiatief. De achterliggende gedachte is dat de bevoegde gezagen de werkzaamheden achter het ene loket zo organiseren dat er daadwerkelijk integrale besluiten kunnen worden genomen. Dat klinkt mooi maar kan in de praktijk weerbarstig zijn. Dat geldt zeker voor activiteiten die op water betrekking hebben, zoals de lozing van koelwater en de lozing van stoffen in oppervlaktewater.

Risico’s vergunningverlening
De Omgevingswet lijkt de bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen voor bijvoorbeeld de lozing van koelwater over te willen dragen van de waterbeheerder naar burgemeester en wethouders. Dit brengt beperkingen en risico’s met zich mee:

• Burgemeester en wethouders maken lokale afwegingen terwijl waterwetgeving grotendeels en in toenemende mate Europees wordt geregeld. Zo gaat de Europese Kaderrichtlijn water uit van grotere eenheden (stroomgebieden en waterlichamen). Burgemeester en wethouders maken geen afwegingen op het niveau van een stroomgebied;
• Het is niet ondenkbaar dat er verschillen ontstaan tussen gemeenten daar waar het gaat om de beoordeling van activiteiten zoals lozingen in oppervlaktewater. Besluitvorming door burgemeester en wethouders kan een ongelijk speelveld creëren;
• De beoordeling van activiteiten die nu in de Waterwet zijn geregeld vereist deskundigheid, veel specialistische kennis en een organisatie die daarvoor goed is toegerust. Gemeenten zijn daar niet voor geëquipeerd. De overdracht van bevoegdheden van de waterbeheerder naar burgemeester en wethouders kan ertoe leiden dat de besluitvorming wordt vertraagd en de administratieve lasten toenemen.

Rol waterbeheerder cruciaal
VEMW pleit voor een Omgevingswet die terdege rekening houdt met het grote belang van water voor de Nederlandse economie. Een effectieve en efficiënte afhandeling van vergunningprocedures en lagere administratieve lasten voor bedrijven zijn in dat verband vereisten. VEMW wijst in dit kader op de noodzaak van een duidelijke rol voor de waterbeheerder in de vergunningverlening daar waar het activiteiten betreft die nu nog in de Waterwet zijn geregeld. VEMW is van mening dat de bevoegd gezagsrol voor deze activiteiten bij de waterbeheerder moet blijven zolang de genoemde beperkingen en risico’s niet kunnen worden ondervangen: Rijkswaterstaat voor het hoofdwatersysteem en de waterschappen voor het regionale watersysteem.

Overigens is het denkbaar dat er specifiek voor de grotere bedrijven die met veel (milieu)vergunningen hebben te maken, zoals de zogenaamde IPPC-bedrijven, een uitzondering wordt gemaakt. Voor deze groep kan het efficiënter zijn dat de regierol door de provincie wordt ingevuld. Overigens blijft ook dan een (adviserende) rol van de waterbeheerder essentieel.

Bron: VEMW, 3 mei 2013