Position Paper Leveranciersverplichting

Leveranciersverplichting is onnodig (Download hier de PDF)

Elektriciteitsbedrijven zijn  groot  voorstander  van  een  zogenoemde ‘leveranciersverplichting’. Hiermee

kan volgens hen de duurzame elektriciteitsdoelstelling door een markt, en dus tegen aanzienlijk lagere kosten, worden gerealiseerd. VEMW betwijfelt de juistheid van deze stelling. De kosten voor consumenten zullen hoger uitvallen ten opzichte van de SDE+ regeling en de overheid zal fors moeten ingrijpen zodat van marktwerking geen sprake is. Een leveranciersverplichting betekent (opnieuw) een forse beleidswijziging, die duur en complex is en de ontwikkeling van echte duurzaamheid in de staat. De leveranciersverplichting is daarom geen goede oplossing om duurzaamheid te bevorderen en kost de consument bovendien onnodig veel geld.

 

1.      Wat is een leveranciersverplichting? 

Dit is een systeem waarbij elektriciteitsleveranciers verplicht worden om een bepaald percentage duurzame energie te leveren. De leveranciers moeten dit bewijzen aan de hand van certificaten. Voor elk megawattuur duurzame energie, die in Nederland wordt geproduceerd, wordt een certificaat afgegeven. Producenten van duurzame energie kunnen deze certificaten via een markt verkopen. De leveranciers moeten deze certificaten kopen, om te kunnen bewijzen dat zij een percentage duurzame energie hebben geleverd en rekenen de kosten ervan door aan hun eindafnemers. Eens per jaar moeten de leveranciers hun certificaten overleggen aan de toezichthouder en blijkt of ze aan de gestelde doelstelling hebben voldaan. Wanneer dit niet het geval is zal de leverancier per MWh geleverde stroom een boete moeten betalen.

 

2. Waarom is de Leveranciersverplichting bedacht?

Het invoeren van een leveranciersverplichting is volgens de energiebedrijven de manier om de Europese doelstelling voor duurzame energie te behalen tegen de laagste kosten. In theorie zou er door het invoeren van een verplicht aandeel duurzaam een markt ontstaan voor duurzame energie waarbij de overheid de doelstellingen bepaalt en marktpartijen vervolgens het aanbod en de prijs. Bovendien zou de verplichting beter aansluiten bij de principes van de geliberaliseerde markt. Door de veronderstelde marktwerking zou de Europese doelstelling tegen fors lagere kosten kunnen worden bereikt ten opzichte van een subsidiesysteem. De verplichting zou in de periode 2015-2035 één miljard euro goedkoper zijn dan de reeds afgeschafte Subsidieregeling voor Duurzame Energie (SDE). De besparing zou kunnen oplopen naar 6 miljard euro wanneer Nederland een samenwerkingsovereenkomst sluit met Zweden om duurzame energiecertificaten te importeren. Tenslotte zou een leveranciersverplichting een stabiel investeringsklimaat creëren omdat de overheid langjarige zekerheid biedt aan investeerders.  

 

3.Hoe werkt een leveranciersverplichting? 

3.1   Hoe komt de prijs van een certificaat tot stand?

De prijs van de certificaten wordt in theorie via vraag en aanbod op de markt bepaald. Dit is in de praktijk niet het geval omdat de markt sterk geconcentreerd en niet liquide is. Dat heeft een aantal belangrijke gevolgen. De prijsbepalende factor is daardoor de boete per niet ingeleverd certificaat, en dus niet vraag of aanbod. Die boete wordt bepaald door de toezichthouder of de overheid en verandert jaarlijks.  

 

Wanneer de overheid een te hoge boete vaststelt zal de prijs onnodig stijgen richting het niveau van de boete. Wanneer de overheid een te lage boete vaststelt zal er minder duurzaam geproduceerd worden omdat bedrijven liever de boete betalen. Daarmee is het de overheid, of de toezichthouder, maar niet de markt die de prijs van de certificaten bepaalt en daarmee de kosten en het aanbod van duurzame energie.

 

Ook de beoogde langjarige zekerheid voor investeerders wordt niet gerealiseerd, want de overheid stelt jaarlijks de boete vast.

 

3.2   Wat betalen consumenten? 

Consumenten van energie zullen de prijs voor een certificaat krijgen doorberekend via hun leverancier. Hierdoor betalen consumenten zonder te weten waarvoor en betalen ze onnodig extra. Leveranciers zullen een afweging maken of ze kiezen voor de boete of dat ze certificaten kopen. De kosten voor de boete of het certificaat worden allebei doorgerekend worden aan de consument. Daardoor betalen consumenten, ongeacht of er duurzaam wordt geleverd. De kosten zijn onnodig hoog omdat via het boetesysteem ook betaald wordt voor niet opgewekte duurzame energie.

Bovendien betalen consumenten teveel omdat er grote verschillen bestaan tussen de kosten van het opwekken van één kWh duurzame energie. Hierdoor zullen producenten van de goedkopere technologieën overwinsten (windfall-profits) behalen. 

 

3.3. Totale kosten? 

Volgens de energiebedrijven zal de leveranciersverplichting leiden tot 1,3 miljard lagere totale kosten ten opzichte van de SDE regeling, die van 2008-2010 in Nederland bestond om duurzame energie te stimuleren. De SDE regeling was niet efficiënt en had geen elementen van marktwerking in zich. De SDE regeling is ondertussen vervangen door de succesvolle SDE+. De laatste cijfers laten zien dat de overstap naar de SDE+ regeling al een besparing van 1 miljard heeft opgeleverd. Naar alle waarschijnlijkheid zullen de totale kosten door het marktelement verder dalen. Daarmee is het kostenvoordeel van de leveranciersverplichting ten opzichte van de vernieuwde SDE-regeling verdampt.  

 

Het invoeren van een leveranciersverplichting zou de ontwikkeling van duurzaam niet meer afhankelijk maken van subsidies en het overheidsbudget. Dit leidt echter niet tot een verlaging van de totale kosten. Projecten zullen met de invoering van een verplichting nog steeds afhankelijk blijven van financiële ondersteuning alleen gebeurt dat nu door de extra vergoeding via certificaat. Daarmee wordt een verkeerde prikkel gegeven. Een stimuleringsmechanisme moet er juist voor zorgen dat de kostprijs van duurzame energie zo snel mogelijk omlaag wordt gebracht. Daarnaast is aangekondigd dat ook de SDE+ per 1 januari 2013 niet meer via het overheidsbudget bekostigd zal worden maar via een opslag op de energierekening.

 

Het koppelen van de leveranciersverplichting met Zweden zou volgends de energiebedrijven leiden tot een verdere besparing van 6 miljard euro. Het gebruik maken van goedkope Zweedse rechten is echter op geen enkele wijze afhankelijk van een leveranciersverplichting. Als dit een aantrekkelijke optie is dan kan dat op eenvoudige wijze naast de SDE+ regeling ingezet worden om de Europese doelstelling te halen. In de Europese richtlijn voor duurzame energie is hiervoor al een speciale mogelijkheid voor opgenomen.

 

4. Is er een alternatief om de Europese doelstelling te bereiken? 

Een belangrijke voorwaarde voor een goede werking van een stimuleringsbeleid voor duurzame energie is een goed functionerend emissiehandelssysteem; de CO2 prijs moet voldoende prikkels geven voor investeringen in duurzame energie, het nuttig gebruik van warmte en energiebesparing. Het huidige emissiehandelssysteem is niet doelmatig en moet daarom worden aangepast.

 

Het stimuleren van duurzame energie moet erop gericht zijn om de kosten voor een bepaalde hernieuwbare energietechnologie zo snel mogelijk omlaag te brengen zonder dat er windfall-profits zijn. VEMW is daarom voorstander van een systeem waarin verschillende technologieën met elkaar concurreren om één subsidiebudget. Op die manier zal gezocht worden naar steeds effectievere technologieën die de kosten per kWh omlaag zal brengen. Om windfall-profits te voorkomen is VEMW  voorstander van een technologie-specifiek stimuleringsmechanisme. De huidige SDE+ regeling is een technologie-specifiek stimuleringsmechanisme waarbinnen verschillende technologieën concurreren om subsidie en daarmee een beter en goedkoper alternatief.

 

Maar recente berekeningen laten zien dat de Europese Doelstelling van 14% duurzame energie door het huidige kabinet niet gehaald wordt. Naar verwachting zal maximaal 12% van de totale energieconsumptie duurzaam zijn. Daarom zal de SDE+ verder verbeterd moeten worden.

 

Allereerst zal de overheid langjarige zekerheid moeten garanderen. De Nederlandse overheid moet zich langjarig verplichting aan één systeem. Partijen die investeren moeten zeker weten dat er in de periode 2015-2025 steun en budget is via SDE+. Daarnaast zal de overheid er zorg voor moeten dragen dat projecten echt uitgevoerd worden door een boete in te voeren op projecten die niet uitgevoerd worden

 

Daarnaast moet grootschalige uitrol van marktrijpe technologieën gestimuleerd worden. Dit kan door de hoogte van de subsidie afhankelijk te maken van de CO2 besparing. Technologieën die het meeste CO2 besparen krijgen extra subsidie. Zo worden echt CO2 besparende technieken extra aantrekkelijk en kan grootschalige uitrol van effectieve technieken gestimuleerd worden. Om technologieën marktrijp te maken is het noodzakelijk dat er voldoende financiering mogelijk is om innovatieve technologieën verder te ontwikkelen.

 

5. Conclusie 

Wanneer een leveranciersverplichting wordt ingevoerd moet de overheid, naast het verplichte aandeel duurzaam, ook de boete moet bepalen. Daarom bepaald niet de markt vraag en aanbod maar de overheid. Ten tweede leidt de leveranciersverplichting niet tot een kostenbesparing omdat de SDE+ regeling boven verwachting efficiënt is. Bovendien is de leveranciersverplichting geen noodzakelijke voorwaarde om Zweedse duurzame energiecertificaten in te zetten om de Europese doelstelling te behalen. Ten derde sluit de verplichting niet beter aan bij de geliberaliseerde markt omdat de inherente complexiteit van een verplichting zorgt voor maximaal overheidsingrijpen. Maximaal overheidsingrijpen doet afbreuk aan de beloofde langjarige zekerheid die de leveranciersverplichting zou opleveren. Het wederom wijzingen van stimuleringsbeleid in Nederland leidt bovendien tot verdere onzekerheid voor investeerders.

 

De leveranciersverplichting doet daarmee niet wat wil beogen en is daarom onnodig en ongewenst.

Ledennet

Zoeken

Zoek