2012 een nieuwe kans voor een effectief klimaatbeleid?

ma 02 jan 2012

2011 was een erg slecht jaar voor de strijd tegen klimaatverandering. Ondanks de stagnatie van de economische groei in de wereld steeg de uitstoot van kooldioxide en andere broeikasgassen. De VN-conferentie in Durban leverde geen wereldomvattend akkoord op over het vervolg op het Kyoto Protocol. Het belangrijkste instrument van de Europese Unie om de emissies van CO2 te beperken, de handel in emissierechten (ETS), kwam vrijwel geheel tot stilstand. Tijdens de laatste vergadering van de Tweede Kamer voor het kerstreces wordt een motie van de VVD die pleit voor een structurele aanpassing van dit ETS weggestemd door de PVV omdat de partij niet gelooft in klimaatverandering. In 2012 zal het roer omgegooid moeten worden, willen we uitzicht houden op een beperkte stijging van de temperatuur op aarde. Om daarbij te voorkomen dat de economie in Europa op achterstand wordt gezet zijn internationale afspraken noodzakelijk. Nu geldt ETS alleen voor Europese bedrijven en niet voor hun concurrenten elders in de wereld.

In een recent debat in de Tweede Kamer noemde Staatssecretaris Atsma ETS terecht “de hoeksteen van het klimaatbeleid”. Door CO2-emissies een prijs te geven, beoogt ETS burgers en bedrijven een prikkel te geven om de uitstoot te verminderen. Door handel in zogenoemde emissierechten van dit belangrijkste broeikas toe te staan wordt de mogelijkheid geboden om de gewenste reductie tegen de laagst mogelijke kosten te bereiken. Helaas, door een aantal ontwerpfouten werkt het systeem niet goed. Door rechten toe te wijzen op basis van productie in het verleden, ontstaat in tijden van economische teruggang, zoals nu, een overschot aan rechten. De marktprijs wordt vervolgens zo laag dat de industrie en de elektriciteitssector geen rendabele emissiebeperkende maatregelen kunnen nemen.

Door het uitblijven van het gewenste effect debatteren politici over tal van compensatiemaatregelen. Zo wordt voorgesteld om door middel van “set-aside” emissierechten uit de markt te halen, waardoor de prijs zal stijgen. In het Verenigd Koninkrijk wordt geopperd dat invoering van een zogenoemde “floor price” de oplossing is. Europees Commissaris Hedegaard stelt zelfs voor om dan maar de totale emissiereductiedoelstelling voor de EU met de helft aan te scherpen. Los van de vraag of je met deze voorstellen het doel van het systeem niet voorbijstreeft – de overheid stelt het doel, de markt bepaalt de prijs - worden de weeffouten in het systeem niet weggenomen en blijft de zo noodzakelijke internationale uitbreiding uit zicht. Dat laatste is natuurlijk noodzakelijk omdat het aandeel van de EU slechts 12 procent uitmaakt van de wereldwijde emissies en bovendien dalende is. Een beslissende bijdrage leveren aan het beperken van de wereldwijde temperatuurstijging ligt buiten het bereik van Europa. Eenzijdig kostbare maatregelen nemen verandert hier weinig aan. In plaats van te investeren in meer duurzame en dus CO2-efficiënte productiemethoden, sluiten bedrijven in Europa hun poorten waardoor de productie zich verplaatst naar landen waar geen beperkingen gelden voor de uitstoot van broeikasgassen, het verschijnsel van “carbon leakage”.

Met name voor Nederland, dat zo’n half procent aan het klimaatprobleem bijdraagt, staat er veel op het spel. Willen ambitieuze projecten, zoals het Rotterdam Climate Initiative en de ontwikkeling van een bio-based economy, een kans van slagen hebben, dan zijn twee veranderingen noodzakelijk. Ten eerste moet het ETS hervormd worden, zodat een effectieve prikkel ontstaat voor investeringen in CO2-reductie en zonder dat dit bedrijven de middelen ontneemt om die noodzakelijke investeringen te bekostigen. In de tweede plaats zijn er internationale afspraken nodig zodat ook de VS en de snel groeiende BRIC-landen zich aan sluiten bij een meer wereldomvattend ETS. Dat laatste komt in zicht wanneer het ETS als volgt vormgegeven wordt. Bedrijven zijn verplicht emissierechten te overleggen voor alle CO2 die zij uitstoten. Bedrijven ontvangen kosteloos emissierechten, voor zover zij CO2-efficiënt produceren. Als maatstaf voor de efficiëntie geldt een zogenoemde “benchmark”. Alle rechten die zij nodig hebben bovenop de benchmark dienen zij te kopen. En om te voorkomen dat er opnieuw een overschot aan rechten ontstaat krijgen bedrijven CO2-emissierechten alleen wanneer zij ook daadwerkelijk produceren.

Naast hervorming van ETS moet Nederland er voor ijveren dat de EU afspraken maakt met andere landen over de beperking van hun toenemende CO2-emissies. Ook elders in de wereld groeit het bewustzijn dat actie ten behoeve van beperking van de uitstoot van CO2 noodzakelijk is. Maar zowel de VS als landen met opkomende economieën hebben tot nu toe geweigerd in te stemmen met internationale afspraken die hun groeicapaciteit beperken. Door afspraken voor te stellen over doelstellingen op basis van product- of productie-benchmarks, kan Europa het voortouw nemen voor effectieve maatregelen in de strijd tegen klimaatverandering, zonder het risico te lopen haar economie ernstig te schaden en de uitstoot van broeikasgassen naar landen buiten de EU te verplaatsen. Door per land verschillende tijdspaden af te spreken voor het behalen van de benchmarks kan een effectief wereldomvattend ETS flexibel en rekening houdend met welvaartsverschillen ingevoerd worden.

Hans Grünfeld
Algemeen Directeur VEMW

Infographic ETS vs Benchmark bij hoge en lage productie

Terug